documents

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 "The Dutch  Company of Exploitation  of  Salt in Russia" started
   in Dordrecht and was later established on two places in the Hague.

 

 

 


 

 

Reisverslag dat mevrouw Marx-van der Roest, de moeder van Mia Jensma-Marx op aanraden van haar familie in een schrift heeft geschreven na haar avontuurlijke vlucht uit Stoupky terug naar Nederland, tussen 11 maart en 30 mei 1918. Zij reisde samen met haar kinderen Ina (1915) en Mia (27.05.1917) en de Nederlandse families J.C. van den Muyzenberg en Bruinse.

 

 Wij Hollanders: 't moest dus 't ging

 

Winter te Stoupky, jaar 1917 - 1918.

            Ruim 'n maand na de geboorte van ons tweede meiske, Mia, verhuisden we naar de directeurswoning. De overbrenging van onze meubles enz. ging met veel moeite gepaard, daar er gebrek aan werkkrachten was op de mijn zoodat we veel zelf moesten doen; enfin, na 'n paar weken zag onze nieuwe woning er gezellig uit en begonnen we er ons thuis in te gevoelen.-

            Kees had het steeds ontzettend druk, daar er pas drie maanden nà Wim's vertrek, 'n Russische mechanieker kwam zoodat Kees den ganschen zomer voor twee krachten moest werken.-

            De zomer ging nog rustig voorbij, ofschoon we niet meer, zooals vroeger, huis- en balcondeuren open lieten 's avonds.                                                                                                [p2]

            In het najaar, omstreeks October, begon de politieke toestand in Rusland er allesbehalve goed uit te zien, het werk met den dag slechter en gevaarlijker en men kon in den komenden winter alles verwachten. In boven genoemden maand vertrok Kees mede directeur naar Holland, met verlof, zoodat Kees nu geheel alleen stond voor de reeds bestaande en komende moeilijkheden van allerlei aard en die met den dag toenam.

            't Is 'n winter geweest om nooit te vergeten! - Met de beambten, zoowel als 't werkvolk, was niets meer aan te vangen, de eersten, zoowel als de laatsten, waren brutaal en verlangden steeds hoogere loonen en men wilde bovendien zooveel                                    [p3]

mogelijk het Bestuur van de mijn in handen hebben. Na 'n paar maanden kwam ook eene Commissie, uit het werkvolk gekozen, op kantoor zitten om den directeur en beambten te controleeren, de laatsten bromden en scholden den ganschen dag op "de heeren"! Soms wilde de commissie een beetje verder gaan dan controleeren, (op andere mijnen was ook zulk eene commissie), en in de rechten treden van de Directeuren, doch dan bracht Kees hen onder het oog, dat, als ze meer wilden doen als controleeren, hij direct z'n baantje als directeur neerlei en ze maar moesten zien zonder hem de mijn aan den gang te houden; "de heeren" kozen de wijste partij en kropen in hun schelp, daar ze wel degelijk wisten                                     [p4]

als Kees z'n woord hield, hetgeen geen twijfel overliet, de mijn binnen 'n paar dagen stil stond, toch was 't noodig, dat ze tusschenbeide eens op hun plaats werden gezet.-

            In den loop van den winter had in Bachmuth een groote brand plaats, n.l. het opzettelijk verbranden van de voorraad spiritus, die daar nog aanwezig was; 't was een vreeselijk gezicht, men zou gedacht hebben, dat half Bachmuth in vlammen opging;-

            Die maatregel was noodig, omdat er reeds veel spiritus gestolen was en de soldaten, die in Bachmuth waren gekomen om de rust en orde te bewaren!  al heel gauw dronken op straat liepen en allerlei baldadigheid uit voerden. - Toch is tijdens den brand nog veel spiritus                                                                                                                                          [p5]

gestolen en het werd op den mijn al gauw merkbaar, men beproefde wodki bìnnen te smokkelen, zelfs waren er al 'n paar werklui dronken, doch Kees nam krachtige maatregelen daartegen, zoodat het gauw uit was. -

            In den loop van den winter kwamen de anarchisten ook in Bachmuth en brachten daar heel wat schrik teweeg onder de bevolking en niet zonder reden.- De stad werd eene belasting opgelegd van millioen Roebels, die binnen een paar dagen betaald moest worden en een paar weken daarna nog eene belasting van twee millioen Roebels en voor de bevolking stond er niets anders op dan betalen.-

Ook op de mijn brachten "de heeren" een bezoek en wel op Driekoningen                            [p6]

's avonds 6 uur. Al eenige maanden tevoren was de meiden bevolen de voordeur niet te openen 's avonds voor men gevraagd had wie wenschte binnen gelaten te worden. De tweede meid had gehoord, dat een twintigtal anarchisten op de mijn waren gekomen en had hen ook voor 't kantoor zien staan; ze wilde het ons komen vertellen, toen er meteen gebeld werd, door de schrik van het gehoorde, deed ze zonder te vragen wie er was, de voordeur open en in minder dan geen tijd drongen 5 à 6 gewapende bolsewieken den gang binnen en waren in minder dan geen tijd in het kabinet. Ik ontmoette de heeren! in den gang en schrok natuurlijk vreeselijk en had geen tijd Kees te waarschuwen, die een van de beambten van 't kantoor  [p7]

in 't kabinet te woord stond. Opeens stonden de gewapende bolsewieken voor hem, een van hen hield Kees een revolver onder den neus en zeide, "We komen alle wapens op de mijn opeischen, U heeft twee revolvers, U moet die ook afgeven". Kees vroeg dien vent, of dat 'n manier van binnenkomen was in 'n woning van 'n neutraal onderdaan en dan nog wel 'n revolver onder iemands neus houden. Voor dit laatste maakte de man z'n excuus "doch met het eerste kunnen we ons nìet ophouden". Kees antwoordde heel bedaard, "Dat zullen we eens zien, ik zal m'n maatregelen morgen nemen". (Kees heeft den volgenden dag den gezant te Petersburg verzocht maatregelen te nemen, dat we tegen zulk soort dingen beveiligd waren; na 'n paar                                                                                                                             [p8]

weken kregen de Hollanders papieren van den gezant, waarin stond, dat de personen en bezittingen van Holland onschendbaar waren, degenen die dit niet eerbiedigde werd langs diplomatieken weg vervolgd.)

            Daarop liet hij twee van de nachtwachten roepen, nam hen de revolvers af, die ze bij zich droegen, gaf ze den bolsewieken, doch eischte van hen 'n papier of liever 'n bewijs, dat hij twee revolvers afgegeven had, hetgeen ook gegeven werd. Wat was ik blij toen ze vertrokken waren, 'k was heelemaal van streek, want 'k wist niet wat ze nog meer van plan waren; de meiden stonden doodsbleek in den gang en hadden gedacht, dat ze Kees gevangen kwamen nemen. - Alle wapens werden op de mijn opgeeischt en                                       [p9]

daarop vertrokken de heeren. Sedert 'n paar maanden was er eene nachtwacht op de mijn, iederen nacht 6 personen, die gevormd was uit de beambten en de directeur in 't geheel dertig personen, die van top tot teen gewapend waren (de wacht duurde van 's avonds 9 tot 's morgens 5 uur). De eerste dagen was de wacht natuurlijk zonder wapens en bracht men maar een flinken knuppel mee; later heeft men eenige geweren teruggegeven op verzoek van de mijnbewoners, daar het noodig was tot zelfverdediging.- Kees had z'n eigen revolver niet afgegeven, hetgeen gewaagd was, hij had n.b. de patronen in z'n zak en de revolver lag  tusschen de divan gestoken, doch de bolsewieken vroegen niet verder, toen Kees hun twee wapens gaf.-                                                                                                                            [p10]

            Al gauw werd de toestand in Rusland en ook in onze omgeving meer en meer gevaarlijker, we leefden dag en nacht in voortdurende angst wat de dag of nacht ons heugen zou. Er werd geroofd en gemoord zonder eind en zonder vervolging om rede er geene politiewacht meer was.- De afgrijselijkste verhalen van moord en doodslag vernam men.- Ook op een der naburige mijnen, 'n half uur van ons vandaan, is rooverij met moord gepleegd, bij toeval bleef de ingenieur met z'n vrouw vrij; ze zijn evenwel daarop in Bachmuth in pension gegaan.-

            Kees had gaarne, dat ik voor de veiligheid met de kinderen ook in Bachmuth ging wonen, maar dat wilde ik niet, daar Kees dan                                                                  [p11]

's avonds in donker naar Bachmuth moest rijden en dat was levensgevaarlijk.-

            Na het bezoek van de bolsewieken zijn we effecten, zilver en dingen van waarde op zolder gaan verstoppen, daar het gerucht ging, dat ze ook dat zouden opeischen, doch toen de papieren van den gezant kwamen, waren we daartegen beveiligd.-

            In het begin van 1918 ontstond er brand in den molen, waarschijnlijk door onvoorzichtigheid van een der werklieden. We dachten, toen de noodfluit ging, dat de mijn door roovers overrompeld was, doch 'k zag al gauw de rook boven uit den molen komen en Kees over de mijn hollen. 't Waren angstige uren, 'k dacht dat er niets van de gebouwen            [p12]

overbleef, vooral daar er zoo weinig water is, (iederen dag wordt er een bepaalde hoeveelheid gebracht van een der omliggende dorpen), doch het station stelde direct 'n paar locomotieven op onze lijn.-

            Na veel inspanning en zelf ook steeds meepompende was Kees het vuur na 'n drie uur meester; Kees kwam doodmoe en onkendbaar [onherkenbaar] thuis, doch moest direct weer weg om maatregelen tegen den nacht te nemen. De schade was, nadat het zich eerst liet aanzien, niet zo bizonder groot; pels en costuum van Kees waren echter geheel bedorven.-

            Omstreeks dien tijd begonnen verschillende buitenlanders erover te denken naar hun vaderland terug te keeren; er werd van Staatswege                                                                  [p13]

op bepaalden tijd treinen gegeven en al heel gauw vertrok, met medewerking van een Commissie, iedere week 'n trein met bewaking van Charkow naar Petrograd, waar vele Belgen en Franschen mee mede gingen en dan verder de gewone route namen over Finland en Zweden.-

            Ook op onze naburige mijnen waren 'n paar families, die aanstalten maakten voorgoed Rusland te verlaten en zoodra ze hunne zaken geregeld hadden, zouden vertrekken. Een der Hollandsche families zou ook van plan [zijn] met Februari naar Holland te gaan en bood aan mij en de kinderen mee te nemen, daar de toestand steeds gevaarlijker werd en men iederen dag alles verwachten kon.-                                                                                                   [p14]                Ik dacht er in het begin niet over Kees alleen te laten, doch begon langzamerhand in te zien, dat langer blijven onverantwoordelijk zou zijn, vooral daar dit de laatste gelegenheid zou zijn, dat we veilig uit Rusland zouden kunnen, nadien zou de reis voor dames met kinderen ondoenlijk geweest zijn.- Eerst was er nog sprake, dat Kees misschien mee zou gaan, het gerucht ging, dat de mijnen Staatseigendom zouden worden en dan was Kees' werk afgeloopen, doch toen de Duitschers meer veld wonnen, ging de nationalisatie niet door, en Kees was, wilde hij op z'n post blijven, 'n post, die met den dag zwaarder en gevaarlijker werk en tevens grooter verantwoording eischte, genoodzaakt mij                                           [p15]

met de kinders alleen te laten gaan.

            Nog een Hollandsche familie sloot zich bij ons aan en eerdat meubels verkocht waren en zaken geregeld werd het Maart.- Ondertusschen had 'n Hollandsche kennis, de heer Uchtmann in Charkow, alles in het werk gesteld 'n wagon met soldaten bewaking voor ons buitenlanders te krijgen van de Russische regering gaande van Charkow naar Petersburg, wij waren n.l. de laatsten buitenlanders uit het Zuiden, die vertrokken, verschillende wagons waren al gegaan, door allerlei oorzaak was ons vertrek verlaat, zoodat het toen heel wat voeten in de aarde had eerdat voor (23 personen met kinderen inbegrepen) eene heele wagon gegeven werd. We zullen ons heele                                                                                                [p16]

leven den heer Uchtmann dankbaar blijven, want hij heeft het bovenmenschelijke voor ons gedaan. Er werd toegestaan, doch uitsluitend voor neutrale en bevriende mogendheden van Rusland (Russen zelf niet) eene wagon tweede klasse, die op bepaalden datum vertrekken zou van Charkow, eene heele gebeurtenis, want eerste en tweede klasse waren allang door de bolsewieken uitgeschakeld.-

            De dag van vertrek werd bepaald op 11 Maart; 't was verbazend koud; 's morgens om tien uur vertrokken we met de rijtuigen van onze mijn naar Bachmuth, we moesten daar om elf uur zijn, daar onze wagon, die aan zou sluiten op den trein van Charkow naar Petrograd, om twaalf uur zou vertrekken en aangehaakt                                                                   [p17]

worden aan een soldatentrein.

            'n Paar weken tevoren hadden Kees en ik al 'n groot deel van ons huisraad en kleeren verkocht; we hadden van alles ook veel in voorraad, daar we verscheidene dingen van Nel hadden overgenomen, toen nog niet vermoedende, dat we op die manier zoo gauw Stoupky zouden moeten verlaten.- Hoe los ik den laatsten tijd van Stoupky was geworden, toch vond ik het ellendig op die manier weg te moeten, Kees geheel alleen achter te laten in moeite en gevaren. Bij m'n vertrek ondervond ik nog veel sympathie van verschillende personen en enkele getrouwen betuigden ook hun leedwezen, dat we op zulk 'n manier gedwongen waren te vluchten. 't Ging me aan m'n hart m'n                                                                              [p18]

meiden ook op die manier hun ontslag te geven en 'k zal m'n heele leven denken met liefde aan m'n drie Russische meisjes Asja, Nastia en Noesja; Nastia was 'n meisje zooals ik nog nooit ontmoet heb en wellicht niet meer ontmoeten zal, trouw in alles.-

            We namen zoo weinig mogelijk bagage mee natuurlijk, voor ruim drie weken, ook proviand, bestaande uit brood, eieren, vleesch, gebak en gedroogd brood, dit laatste kan men maanden bewaren.- Om elf uur kwamen we aan het station te Bachmuth, waar de Franschen ook aanwezig waren, allen met het bewustzijn, dat we eene reis zouden doen, die moeilijk en gevaarlijk zou zijn.- Kees bracht ons natuurlijk weg en bleef ook                                         [p19]

tot we goed en wel in den wagon waren, dat geen tweede klas was, zooals beloofd werd, maar een teploeska (d.i. nog minder dan een Russische vierde klas wagon), 'n beestenwagen, waar men voor ons planken in de rondte had gelegd om te slapen en te zitten, 'n kachel in het midden en met 'n soldaat tot bewaking. Enfin, we moesten al blij zijn, dat de regeering ons zóó hielp en we bewaking hadden.- In plaats van twaalf uur, vertrokken we 's avonds vijf uur. 't Was voor Kees hard alleen achter te moeten blijven en in ons bijna leege huis terug te moeten keeren. Asja was ook meegegaan tot Bachmuth en had de zorg voor Mia, die op 'n draagkussen lag en gewikkeld in 'n dikken deken.- 'n Paar uur voor ons vertrek             [p20]

wilden 'n paar volgelingen van "de roode garde" n.b. 'n paar van onze vroegere werklui, beslag leggen op onze proviand. Kees moest nog naar den commandant om onze papieren te toonen, om te verhinderen, dat die ellendelingen ons ons brood niet afnamen.-

            Eindelijk vertrokken we, (in Rusland heeft men altijd den tijd)  we gingen in 'n sukkeldrafje, daar we aan 'n goederenwagen gehaakt werden en kwam ± zeven uur in Liman aan, waar we tot onze verbazing bleven staan, werden afgehaakt en vernamen, dat we den volgenden ochtend met 'n anderen trein naar Charkow zouden gaan. Om de beurt gingen we in troepjes maar eens naar het station om te zien of er thee was of                                      [p21]

iets anders te krijgen.- Vuil, dat die wachtkamer en dat buffet was, neen, wij Hollanders weten niet wat vuil is vóór we in Rusland zijn geweest, 't is onbeschrijfelijk en niet in te denken! Enfin, 'k was blij, wat warms te krijgen en 't was thee - met suiker, eene groote weelde in dien tijd in Rusland.-

            Over "gelegenheden", toch voor ieder mensch noodzakelijk, durf ik niet te schrijven, die waren de geheele reis (behalve hôtels) ondenkbaar primitief en ondenkbaar vuil, ik vermoedde niet, dat zoo iets onder menschen kòn bestaan, 't was ontzettend.-

            't Was 'n nacht om nooit te vergeten, erg koud, 't tochtte aan alle kanten en we moesten om te slapen leggen op de planken, gewikkeld in onze pelzen. We deden ons eerst te goed                                                                                                                                        [p22]

aan onze proviand, deden water, hetgeen de soldaat, die voor bewaking aangegeven was, voor ons haalde, in onze ketels en gingen thee zetten.-

            Voor mij was 't niet makkelijk, 'k moest 't kleintje vasthouden, Ina kroop tegen me aan (ze was bang voor de vreemde menschen) en tevens boterhammen maken, enfin, 't moest dus 't ging.

            Na veel moeite had ik Mia te slapen gelegd op de tweede verdieping, iedereen had zich al te rusten gelegd, ook de wacht "snorkte" al flink. 'k Wou Ina op een plaid leggen, maar daar was geen denken aan, ze begon hevig te schreien en wou bij Papa in haar eigen bedje; er stond niets anders op dan haar naar beneden te halen, 'k ging op een bank bij de kachel zitten met Ina op m'n                                                                                                             [p23]

schoot, die weldra insliep en zoo bracht ik de nacht door, ieder kwartier op m'n horloge ziende, of het nog geen dag werd, wat was ik blij, toen 't zes uur was en ieder overeind kwam. Natuurlijk bleven we ongewasschen, want in welken beestenwagen is eene waschgelegenheid?- Om zeven uur werd onze wagon aan 'n goederentrein aangehaakt en gingen we verder, tenminste de meeste wagens, waren voor goederen bestemd, 'n paar personenwagens maakten de rest uit.-

            Bij ieder station trachtten de passagiers, meest vuile Russen met onnoemlijk veel bagage, in onzen wagon te dringen, doch onze dappere "bolsewiek" weerde ze af met de woorden "Afgekeurde wagen, familie wagon".-  De man was                                              [p24]

werkelijk zeer geschikt, doch geen wonder, hij wist, dat hij eene flinke fooi zou ontvangen te Charkow en we voedden hem flink; van gebak enz. kreeg hij ook ruim z'n deel.- We trachtten den dag zoo goed mogelijk door te komen, veel werd er gepraat over de reis, die we ondernomen hadden, enfin, ik had de handen vol om de kinderen stil te houden.-

            's Middags om vier uur kwamen we te Charkow aan, opgewacht door den heer Uchtmann, bij wien ik zou logeeren, de overigen gingen in 'n hôtel. Voordat ik in 'n rijtuig was duurde nog 'n kwartier, daar ik eerst moest zien of m'n bagage wel voltallig was; een van de gevaar[lijk]ste dingen van de reis voor mij was het dragen van Mia; 'k had                        [p25]

natuurlijk eene pels aan, Mia lag op een draagkussen, waarin 'n flink pakket effecten waren verstopt, bovendien was Mia èn draagkussen gewikkeld in 'n dikken deken.- 'k Heb zoo verscheidene malen 'n half uur à drie kwartier moeten staan en 'k bezweek al haast na tien minuten, maar ik dacht, het moet, dus 't ging.-

            Om vijf uur kwam ik met de kinderen bij Mevrouw Uchtmann aan (ik betaalde voor 'n rijtuig daarheen 10 R u.b.) moe en vuil met huilende kinderen. 'k Ben daar allerliefst ontvangen, men deed al het mogelijke om me 'n paar rustige dagen te bezorgen en ik denk steeds met dankbaarheid aan die familie.-

            Donderdagmiddag om vier uur zouden we vertrekken, niettegenstaande                      [p26]

alle op papier in orde was, dat we eene wagon tweede klasse van Charkow naar Petersburg krijgen zouden met soldatenbewaking, toch had de heer Uchtmann nog handen vol werk die twee dagen, dat de beloofde wagon werkelijk klaar zou zijn, op den beloofden dag.- Als men in Rusland maar volhoudt, tot vervelens toe de menschen lastig valt, bij z'n stuk blijft en fooien geeft, krijgt men alles gedaan.- Om vier uur waren we allen aan het station, maar och, lieve deugd, van vertrek nog geen sprake. Er was nog geen trein te zien nog minder van onzen wagon en men wist niet eens aan welken trein die aangehaakt zou worden.

            De heeren liepen dan hier, dan daar; men deed nog moeite aan 'n                                 [p27]

Franschen soldatentrein gehaakt te worden, doch daar zag men weer van af, want er werd beweerd, dat de Duitschers in Petersburg waren, dat weldra 'n heel onjuist bericht bleek te zijn.

            Wij, dames met de kinderen, stonden, of zaten bij beurten op stoelen, want het was ontzettend vol, van vier tot half tien in de wachtkamer, die zoo ontzettend vuil was en waar zulk 'n vieze atmosfeer heerschte, zoodat we ervan walgden; veel tijd hadden we niet ons erover te ergeren, daar de kinderen al gauw lastig werden door de slaap en vooral Ina en Mia, de jongsten van het troepje; 'k was vaak ten einde raad, allebei huilden ze om 't hardst, zoodat ik met Mia maar heen en weer ging loopen en Ina naast me, aan m'n japon zich vast      [p28]

houdende, daar ze van de medereizigers niets wou weten.- 'n Paar kennissen kwamen nog afscheid van ons nemen en 'n ieder beijverde zich om ons te helpen en gaven bovendien nog snoeperijen voor onderweg mee.-

            Om ongeveer half tien kwamen de heeren ons vertellen, dat onze beloofde wagon aan een passagierstrein aangehaakt was; 't was een pasgeverfde tweede klas wagen, iedere familie had eene coupé, 't was alleen lastig, dat we geen electrisch licht hadden en kaarsen kregen we heel weinig, zoodat we meestal maar vroeg gingen slapen.- We hadden twee soldaten voor bewaking, ook zeer geschikte kerels, die ons van kokend water voorzagen, wanneer we bij 'n station stil hielden.-                                                                                                                       [p29]

            De trein ging 'n slakkengang, maar enfin we waren al blij, dat we vooruitkwamen. De coupé's waren allesbehalve zindelijk, we vonden er van allerlei ongedierte in.- Onze "prowoduick"[?] was ook zeer geschikt en zorgde voor verwarming. We hadden de wagon geheel gratis, natuurlijk moesten we fooien geven aan de bewaking, dat werd al gauw 'n paar honderd roebels. Onderweg wilde men telkens in onze wagon komen, maar men werd afgewezen door onze dappere wacht. Vaak zeiden ze ook: "een gehuurde wagon met delegaten, die naar Petrograd gaan".  We moest[en] dan lachen, verbeeldt u, delegaten, die hun houwen en kinderen meenemen.-

            Zaterdagavond kwamen we in Moskou aan. Vanuit Charkow was al                     [p30]

getelephoneerd naar het Nederlandsche gezantschap, of we door konden naar Petersburg en of de Consul wilde zorgen voor eene wacht, daar deze maar tot Moskou meegegeven was.- Zondagmorgen gingen de heeren op stap, de Franschen naar hun Gezantschap en de Hollanders naar het hunne.-

            De Franschen kwamen in den loop van den dag terug met het bericht, dat zij niet door konden naar Petersburg, daar ze hier of daar in handen der Duitschers zouden vallen, ze moesten over Wladiwostok. We hadden onderweg allerlei geruchten gehoord, n.l. dat de Duitschers tusschen Moskou en Petrograd waren en dat ze Petrograd al bezet hadden, enz, enz.

            De Franschen en Italianen namen afscheid van ons, zouden 's nachts bij                     [p31]

den Secretaris van het Consulaat logeeren en informeeren hoe het makkelijkste was de reis te maken.- De bagage der Franschen werd uitgeladen, hetgeen eene groote hoeveelheid was: ze waren acht in getal, de kinderen meegerekend. Tegen den avond kwam de heer Muyzenberg terug, die alles met het Gezantschap in orde gemaakt had o.m. ook eene andere wacht, zoodat onze, "bolsewieken", met flinke fooien in hunne zakken, afscheid namen            en drie nieuwe sol- daten meegingen, zeer verheugd, want ze waren nog nooit in Petersburg geweest en vonden het 'n pleizierreisje; ze hebben dan ook al het mogelijke gedaan om ons met alles te helpen.- Zondagavond om tien uur vertrokken we van Moskou en kwam Maandagavond                        [p32]

om acht uur in Petersburg aan. Voordat we vertrokken, kwam de Secretaris van het Consulaat nog in den trein en vroeg een en ander over ons wedervaren, hij maakt o.a. de opmerking, dat ik het wel moeilijk zou hebben zonder m'n man met twee zulke kleine kinderen, doch "U zult het later wel interessant vinden zulk 'n reis meegemaakt te hebben", enfin, ik was het niet met hem eens.-

            Hij vertelde ons o.a. dat hij 600 R voor 'n poed meel betaalde ('n poed is 40 pond, 'n Russisch pond slechts 4 ons) en 400 R. voor 'n poed suiker.

            Tot Moskou zijn ook nog vier Amerikanen meegereisd, die nà Charkow in onzen wagon kwamen en verzochten mee te mogen, indien ze 200 R. aan de wacht mee betaalden                                                                                                                                             [p32]

Van Moskou tot Petersburg waren we dus maar met elf personen, alléén de Hollanders, zoo iets kan men alleen in Rusland gedaan krijgen, eene gansche wagon voor elf personen!- Aan Kees is in Charkow en Moskou getelegrafeered, dat we allen gezond waren en de reis konden voortzetten.-

            Wat was ik blij, toen we in Petersburg aankwamen, 't was niet makkelijk geweest de kinderen bezig te houden, 'k was dan ook altijd blij, als het avond was en ze sliepen.-

            In optocht gingen we naar hôtel "Angleterre", daar de huurkoetsiers niet anders wilden rijden dan dat de drie rijtuigen achter elkaar gingen en de bagage tusschen in; er werd n.l. veel geroofd en gemoord 's avonds                                                                                     [p34]

            Om half tien kwamen we in het hôtel aan, de kinderen huilende, vies en vuil als we waren, moe en verreisd.- 'k Nam 'n kamer voor aan de straat, derde verdieping, die 21 R. per dag kostte, de familie M. een van 21 R. en fam. Bruinse van 18 R, de laatste kamer was aan den achterkant gelegen.- Ik bracht de kinderen maar ongewasschen naar bed, want 't was al tien uur geworden voordat ik alles voor de nacht in gereedheid had gebracht en de meiskes schreiden maar door.- Wat was ik zelf blij, na alles beredderd te hebben weer in 'n zindelijk bed te liggen, 'k was doodmoe!-

            Den volgenden dag ging de heer M. alles in orde maken voor onze reis door Finland en Zweden, doch                                                                                                             [p35] voordat alles klaar was, paspoorten, geld gewisseld enz. verliep er ruim eene week.- Het eten in het hôtel was treurig en schandelijk duur. 's Morgens en 's avonds aten we van onzen voorraad, doch we durfden die niet erg aanspreken, daar we heelemaal niet wisten hoelang de reis zou duren, we hoorden allerlei berichten in Petersburg.- Bovendien ging na 'n paar dagen ons brood schimmelen, dat was eene schrik, want we kregen in het hôtel geen brood, later hebben we gereclameerd en kreeg ik met de kinderen samen 300 gram per dag, het was genoeg voor éénen maaltijd, doch ik moest het verdeelen over twee; het brood was zwart en er waren stukken stroo in gemalen, het kostte heel was moeite voordat Ina het ging eten. Het                                                                                                                                              [p36]

kleintje voedde ik zelf.- Daar we bang waren, dat ons brood verder zou beschimmelen, sneden we het aan stukjes en gaven het in de keuken om te drogen, in 't Russisch "soegarkie" genaamd, zeer practisch, daar men het in den oven droogt en het daardoor maanden bewaren kan; ik had nog drie trommels daarvan bij me voor het laatste deel der reis.

Hélaas verliest het brood veel in gewicht door het drogen, bovendien had men in de keuken ervan gegeten, de arme stakkers leden daar honger.- Eens per dag nam ik warm eten, want 't was ontzettend duur, de twee andere maaltijden aten we van onzen voorraad, doch deden daar zuinig mee, wie wist hoe lang onze reis zou duren?- 'k Nam                                                [p37]

dan 'n paar eieren voor Ina en mij, die eerst 'n Roebel, later twee Roebels per stuk kostten.- Melk was 'n Roebel per glas, doch smaakte niet zuiver en was bovendien slecht, zoodat ik die niet meer bestelde.- 'n Stukje taai vleesch, (de grootte van 'n kalfsoester) met twee à drie lepels rijst kostte tien R. 'n bordje slappe soep acht R.- 'n stukje visch, niet half genoeg voor één persoon, met wat saus tien R. 'n Pudding, zoo groot van 'n Moskoovisch gebakje, 6 R.- Wanneer ik met Ina genoeg wilde eten, dan moest ik voor 40 à 50 R per middagmaal bestellen, doch, ofschoon ik voldoende geld bij me had, veroorloofde ik me zulke uitgaven niet, want we wisten immers niet hoelang de reis duren zou, nu we eenmaal in Petersburg waren, begonnen                                                                                                                     [p38]

we steeds meer moeilijkheden te zien.- 'k Bestelde meestal voor ±30 R. een enkele maal voor 40 à 50 R.- De twee andere families hadden dit voor, dat ze, wanneer ze wilden, in 'n ander restaurant konden eten, die vaak goedkooper waren, maar ik kon nooit weg met 't oog op kleintje.- 'k Had 9000 R. meegenomen in contanten en 2500 R. in wissel, doch de laatste kon ik niet innen te Petersburg, waar zij ingeschreven stond, daar de banken dien tijd, dat wij er waren, gesloten waren, de bolsewieken hadden beslag erop gelegd.- De bediening in het hôtel was tamelijk, ze bestond uit Duitschers en Letten, doch in tijd van vrede zou men recht tot veel aanmerkingen gehad hebben.- Ronduit gezegd hebben we steeds honger geleden die                                                                                                                                           [p39]

drie weken, dat we in Petersburg waren, ik watertandde vaak, als ik dacht aan 9 poed meel,. die we in Stoupky in de "kladofke"(provisiekast) hadden, waarvan Asja zulk heerlijk busbrood bakken kon, wit, bruin en rogge en die ik in m'n verbeelding kant en klaar op ons buffet zag liggen.- Ina kreeg haar maagje gelukkig vol en deed zich steeds te goed aan eieren.-

            Toen we eenige dagen in Petersburg waren, hoorden we, dat we de gewone route over Finland en Zweden niet meer konden nemen, daar die gesloten was.-

            Na 'n paar dagen hoorden we, dat er nog een anderen weg open was en wel per trein naar Abod[?] en vandaar per slee ('n rit van vier dagen) naar Alandsche eilanden, verder Stockholm en vandaar                                                                                                            [p40]

moesten we zien toestemming te krijgen door Duitschland te mogen reizen, 't zou 'n heel moeilijke en koude reis zijn, vooral met het oog op de kinderen, doch in alle opzichten werd het tijd, dat we zoo gauw mogelijk weggingen, daar iederen dag de toestand in Petersburg verergeren kon en bovendien verteerden we veel geld en leden honger bovendien.-

            De heer Muyzenberg maakte dus alles voor die reis in orde, passen, geld, wisselen, plaats bespreken voor den trein enz. Toen, na anderhalve week, alles in orde was en de heeren plaatskaarten kwamen nemen voor den volgenden dag, hoorden ze tot hunne verbazing, dat ook die weg 'n dag tevoren gesloten was en er voorloopig, tot nader bepaalden datum   [p41]

geene passagiers meer doorgelaten werden.- Daar zaten we dus, als de dooi inviel, wat iederen dag mogelijk was, konden we heelemaal niet meer weg en van teruggaan was geen sprake. We zaten dan ook terdege in de put en niet zonder reden, als men met den toestand in Rusland bekend was, zooals wij, dan was het beter te zien, dat men zoo gauw mogelijk uit dat vreeselijke land kwam. Den volgenden dag ging de heer M. maar weèr op informatie uit, misschien was er ergens nog een gaatje open, waar we door konden en ja, na 'n paar dagen vernam hij, dat er een trein met invaliden en Duitsche krijgsgevangenen van Petersburg vertrekken zou, eene Zweedsche commissie maakte                                                 [p42]

daar alles voor in orde, later zou er eene Duitsche commissie komen die de regeling van de volgende transporten in handen zou nemen.- Eerst werd het ons botweg geweigerd, er waren zooveel Hollanders en buitenlanders, die op vertrek wachtten; later zouden er treinen gaan om ook hen naar de plaats van bestemming te brengen, wij moesten dus ook maar wachten. De heer M. kwam natuurlijk niet erg opgewekt thuis en we gingen weer aan het beraadslagen en elkaar moed inspreken.

            De heer M. vond mij meestal veel te optimistisch!- Na eenige dagen ging de heer M. weêr op stap en riep tevens de hulp van den gezant in, die raadde nog eens te probeeren of we niet met den bewusten trein                                                                                                  [p43]

mee mochten, het Gezantschap zou ook er alles voor in het werk stellen.-

            Na veel aandringen werd eindelijk de toestemming gegeven, dat we met het transport mee mochten, dat tot Pskow zou gaan, en vandaar moesten we aan de Duitsche overheid vragen verder te gaan. Maandagavond acht April om zeven uur moesten we aan het station zijn, wat waren we blij, dat we na drie weken wachten eindelijk verder konden. 't Was zoo moeilijk geweest de kinderen drie weken bezig te houden zonder speelgoed en voortdurend op de kamer of in den gang moeten blijvende.-

            's Avonds om zes uur vertrokken we van het hôtel zooals we gekomen waren met vier rijtuigen achter elkaâr; 't was nog ontzettend koud.                                                               [p44]

            Toen we aan het station kwaamen, was er nog geene kwestie van vertrekken; enkele heel zwaar gewonden waren er ook. Voordat alles geregeld was, hetgeen erg lastig ging, want de Duitschers moesten met de Russen samenwerken, de eersten precies, de laatsten altijd te laat, zouden we pas om tien uur 's avonds vertrekken, daar er van de Russische kant niets in orde was. Te Pskow ging het transport geheel over in Duitsche handen en zou de Russische trein terugkeeren.

            Ons, Hollanders, was een tweede klasse wagon beloofd, doch die was nergens te vinden, zoodat we in 'n vierden terecht kwamen.- Mia was al in slaap gevallen en Ina was doodmoe.- 'k Had nog nooit 'n vierde klas wagon gezien, de Rus-                                                [p45]

sische vierde klas zijn veel makkelijker dan de Duitsche, men kan daar tenminste liggen. Eén wagon is verdeeld in vijf vakken, met boven en beneden verdieping, gescheiden met schotten, doch niet hoog genoeg, dat men elkaar niet zien kan. De afdeelingen zijn zoo breed, dat men met drie personen liggen kan naast elkaar en de beenen goed kan uitstrekken. De onderste verdieping had de familie M. genomen, ik nam de bovenste, de kinderen zaten daar nog veiliger, ik moest naar boven klimmen, waarvoor twee ijzeren treden waren aangebracht, zooals in 'n hooiberg, enfin ik wipte er spoedig op en af als 'n eerste klimster. Vuil dat die wagons waren, ondenkbaar!

            We zagen er in 'n oogenblik uit als                                                                                [p46]

kolendragers en de moed was me heusch in de schoenen gezonken bij de gedachte, dat we daar 'n paar dagen in zouden zitten in die stinkende atmosfeer met allerlei soort vuile menschen.- De eerste nacht was verschrikkelijk, toen hadden we de afdeelingen nog niet goed verdeeld en zat (want van liggen was geen sprake) naast me 'n vrouw met klein kind en 'n jongen, vuil dat ze waren en 'n lucht hadden ze bij zich ontzettend! Voor Mia was 'n plaatsje om te liggen; Ina lag tegen me aan en ik moest den heelen nacht opzitten, de andere volwassenen ook. Den volgenden dag was alles geregeld en hadden we ieder onze eigen afdeeling. Over de W.C. zal ik niet schrijven, ik had niet gedacht, dat er                         [p47]

zoo iets bestond. Het huilen stond me nader dan het lachten in zulk eene omgeving. Ons transport werd gevoed, dat heusch een uitkomst was, want onze voorraad was al duchtig aan het verminderen; we kregen 's morgens en 's avonds 'n soort koek, zoo iets als veekoek in Holland, 't was ontzettend hard en we moesten het op het hout van de wagon stuk slaan en dan weeken in thee, anders hadden we kans, dat we onze tanden braken. Om twaalf uur kregen we vischsoep, die niet te eten was, doch we kregen zooveel van die koek, dat we den heelen dag voldoende eraan hadden. Soep en thee werd gegeven uit groote zinken emmers en geschept in geëmailleerde schalen waar we uit aten. Van                                                     [p48]

wasschen was geene sprake, ééns per dag werden 'n paar emmers water (heet) gehaald, we konden dan onze eigene thee zetten en namen dan 'n beetje in een bakje om handen te wasschen, want iedereen vloog erop aan, doch 't was maar voor 5 min., want was ik maar even beneden geweest dan waren m'n handen weer pikzwart.

Enfin, 'k hield m'n afdeeling zoo netjes mogelijk; we sliepen natuurlijk geheel gekleed, de kinderen ook, 't zou voor hen te koud en te vies geweest zijn in hun nachtjaponnetjes.-

's Morgens om zes uur begonnen de meeste menschen al wakker te worden, ellendig genoeg want de dagen duurden tóch al lang.- Wat zagen die arme kinderen er vies uit!-

            Woensdagavond 10 april kwamen                                                                           [p49]

we 's avonds om half tien in Pskow aan; we waren toen in het veroverde Polen-gebied, dat in het begin van den oorlog in Duitsche handen viel.

            Allen moesten uitstappen doch daarvóór werd eerst heel goede soep uitgedeel[d], zoodat we de conclusie trokken dat het eten beter was in Duitschland dan in Rusland. We werden met muziek ontvangen en het stationsgebouw was met groen en vlaggen versierd boven het stationsgebouw stond in groote letters "Hartelijk welkom".- 't Was heusch 'n aardig binnenkomen in hun Vaderland voor de Duitschers, die vier jaar in gevangenschap waren geweest; er ging dan ook een hoerah! op van belang.-

            Wij, Hollanders, waren niet in zoo'n opgewekte stemming, daar men ons            [p52]

geen zekerheid gaf, dat we direct naar Duitschland en vandaar naar Holland mochten, bovendien voelden we ons onbehagelijk en moe.- In 'n wachtkamer werden we niet gelaten, men was bang voor besmetting en bovendien er was geen plaats voor duizend man.

            Ik liep met Mia te sjouwen of ging eens op de bagage zitten, de kinderen begonnen al gauw te huilen van vermoeidheid en verlangden naar hun bedjes, doch van 'n trein nog geene sprake.- We hebben daar op het perron moeten wachten van half tien tot 's nachts één uur in 'n felle koude, zoodat de kinderen 'n ferme verkoudheid opliepen. We werden allen in groepen verdeeld, Polen, Oostenrijkers en Duitschers en wij, en genoteerd, waarheen we wilden  [p51]

gaan, d.w.z. naar welk land en in den trein ook apart ingedeeld; wij kwamen bij de groep Duitschers, die richting Berlijn wilden.- Om één uur zette de trein zich in beweging en vernamen we dat we naar Dwinsk gingen; 't was 'n uitkomst, want heusch ik kòn niet meer, Mia sliep in m'n armen en Ina had 'n poosje op de bagage geslapen; 'k was erg ongerust over de gezondheid van de kinderen.- We kwamen in 'n ijskoude wagon, zoodat er geen sprake was van slapen; gelukkig troffen we ook wat beter publiek onder onze passagiers en de heeren staken gauw de handen uit de mouwen om de twee kachels aan te maken, die er stonden, zoodat om half 3 al warmte te voelen was en wij volwassenen toen ook gingen slapen, zoo                                                                                                                                           [p52]

vuil als we waren, want er was natuurlijk geen sprake geweest van wasschen, zelfs drinkwater was er niet; we waren ook weer in vierde klas wagons.- De landstreek, die we door stoomden was wel aardig, veel bosch en heuvels, men kon ook nog duidelijk de sporen van de verwoesting tijdens den oorlog aldaar zien, ofschoon de Duitschers die vier jaren niet stil hadden gezeten en hoewel dit gebied nog pas veroverd was, hadden ze al veel hersteld en in orde gemaakt.- Tot onze schrik hoorden we nù, dat er eene "quarantaine" bestond, er werd géén enkele persoon doorgelaten, die niet eerst 23 dagen in "quarantaine" had meegemaakt, wij vleiden ons met de hoop, dat we daarvan vrijkwamen                                                      [p53]

daar we niet in Duitschland behoefden te vertoeven, doch alleen doortocht vroegen; ieder van onze mede passagiers had wat erover te vertellen, de een had dit gehoord, de ander dat, men beweerde, dat, als men geene besmettelijke ziekte onder de leden had, men met 5 à 10 dagen vrij was, sommigen zeiden, dat wij, neutralen, direct door konden, hélaas bleek later van al die verhalen niets waar te zijn, doch het hield er den moed bij ons in, 't was maar goed, dat we alles niet vooruit wisten en we begonnen bij den dag te leven.- Vreemd, maar 't is nu ik alles neerschrijf en alles nog precies door m'n gedachten laat gaan, net of ik het ergste ben vergeten en de kleinigheden me niet zoo goed herinner en juist dìe waren                                      [p54]

het vaak alsof ze onoverkomelijk schenen.- We zagen natuurlijk de dagen zoo goed mogelijk door te komen en maakten kennis met onze mede passagiers, die ons verhalen deden van hun gevangenschap, afschuwelijk in één woord.- Bij het uitbreken van den oorlog waren ze van Petersburg naar Siberië gevoerd, gedeeltelijk te voet door de felste koude, met kettingen aan elkaar gebonden en op rustplaatsen in 'n vunzig hok geduwd, opgehoopt, b.v. 30 à 40 man in 'n kleine kamer, waar alle vuilheid 3 à 4 dagen bleef liggen, zoodat er natuurlijk ontzettend veel stierven.- - -

            Het eten dat we kregen was veel beter dan in den Russischen trein, 's morgens koffie, natuurlijk geene                                                                                                                        [p55]

mokka, maar namaak, doch 't was iets warms en uiterst zindelijk, een groot verschil, daarbij bruin brood van goede kwaliteit en daar ik voor de kinderen ook kreeg, had ik ruim voldoende, was men zonder kinderen dan was de hoeveelheid wel wat weinig.- Verder om twaalf uur soep met macaroni of iets dergelijks, natuurlijk zonder vleesch.- Voor ons zelf thee zetten ging niet meer, daar er niet, zooals in Rusland overal kokend water op de stations te krijgen was, wèl kregen we af en toe water in een paar emmers om ons te wasschen, maar 't was erg primitief, schoon werd men toch niet.-

            Vrijdagmorgen ongeveer 6 uur kwamen we te Dwinsk aan, doch                            [p56]

we moesten allen de geheelen dag nog in den stilstaanden trein blijven, niemand mocht eruit; ik ging, als de kinderen sliepen wel eens op het balcon kijken en zag dan vaak wel een of ander nieuwgierige staan, die enkele vragen deed, soms Russen, soms Duitschers, de eersten informeerden natuurlijk hoe de toestand in hun vaderland was.- Tegen den avond moesten we met pak en zak uit den trein en werden naar den overkant van de spoorrails gedreven, we kwamen aan eenige groote gebouwen, die nog 'n half uur van de eigenlijke stad lagen, waarin groote zalen waarin vlak naast elkaar, ruw in elkaar getimmerde houten bedden stonden, tamelijk kort aan lengte, ik kon er net in,                                                                            [p57]

twee boven elkaâr; in 'n apart gebouw ontzettend koud en tochtig was eene waschgelegenheid voor mannen, in het midden stonden twee reusachtige tonnen, waarin steeds frisch, koud water was daarlangs liepen twee flinke goten voor waschgelegenheid, op zekere uren van den dag konden wij dames en vrouwen zich daar niet vertonen om water te halen daar het manlijk geslacht aldaar bezig was toilet te maken. In 'n ander gebouw was eene waschgelegenheid voor dames en vrouwen, ook intens tochtig vandaar kwam men in eene andere gelegenheid, hoe die eruit zag, kan ik niet neerschrijven, maar mevrouw M. en ik die samen eens poolshoogte gingen nemen, schrokken vreeselijk                                                                     [p58]

en schoten tevens in 'n vreeselijke lachbui, 't was heusch al te mal.-

            Wij, Hollanders, werden in zooverre met onderscheiding behandeld, dat we eene aparte kamer kregen, wat heusch eene uitkomst was, want in de andere zalen was alles door elkaar, dames en heeren en de vuilste menschen.- Beneden was een groote zaal, waar de Oostenrijkers waren, boven was eene aparte zaal voor Duitschers en Polen, mannen en vrouwen van alles door elkaar, zoodat men, zooals in den trein weer gekleed en wel moest gaan slapen.- Vele van onze reisgenooten, die gehoord hadden, dat wij Hollanders, eene aparte kamer hadden, kwamen eens zien naar zulk            [p59] eene weelde en vertelden ons van de vuile lucht, die in de zalen was, en als men er in keek, had men er al genoeg van.- Nu moet men niet denken, dat wij zoo iets van eene salon hadden, als ik zoo eens rond zag dan deden venster en vloer me denken aan hout- en kolenschuur in IJselstein.- Er stonden ook zes ruw in elkaâr getimmerde houten bedden, twee boven elkaâr, daarop eene stroomatras; verder twee ruwe banken en vieze, oude tafel, vieze vensters, alles vol met spinnewebben, één venster sloot niet, en een vuile houten vloer. Verder had ieder 'n paar groote en kleine geëmailleerde kommen voor te wasschen en om soep uit te eten.- Het eten bestond weer, als in den Duitschen trein uit brood                                                          [p60]

met marmelade (het laatste uit bieten gemaakt), hetgeen heel goed smaakte en om twaalf uur soep, tweemaal per dag koffie, die van gerst gemaakt was.- Bijna den heelen dag konden we kokend water krijgen; buiten stond op een wagentje een heel groote ketel, waaronder gestookt werd, zoo iets werd in het leger gebruikt om soep te koken en was voldoende voor 600 man.-            Het geheele "lager" was afgezet met, twee manshoog, prikkeldraad bovendien stonden nog overal wachten, voor ons venster liep dag en nacht een gewapende soldaat heen en weêr.- Ik sliep met de kinderen in één bed, we konden juist liggen. We moesten zelf de kamer schoonhouden.- Levensmiddelen                                                                                              [p61]

werden ons gebracht. Typisch was het, dat we geen woord over ons blijven of heengaan konden vernemen van een der wachten, hoog noch laag; zwijgen kunnen die Duitschers werkelijk als "Moffen"!- Na 'n paar dagen vernam de heer M., die als Courier reisde (de effecten, die ik bij me had, waren gelukkig in het Courierspak gedaan te Petersburg, dat was eene heele zorg minder) - dat hij waarschijnlijk direct door mocht, hij had al gevraagd, of wij drie Hollandsche families, door mochten reizen zonder "quarantaine", maar dat werd geweigerd, niemand ontkwam daaraan. De heer M. meldde zich aan bij den Generaal, die juist in het "Lager" was en kreeg toestemming direct te vertrekken naar Berlijn.-                       [p62]

            Hij deed nog moeite om mij en de kinderen mee te krijgen, daar ik onder zijne speciale hoede reisde doch tevergeefsch.- Op Maandag omstreeks twee uur vertrok hij met vrouw en kinderen.- Het was voor mij in alle opzichten ellendig nu alleen achter te blijven met de andere Hollandsche familie, enfin het kòn niet anders, dus ik moest er me in schikken.- Bijna iederen middag om vier uur was er muziek op 't plein, waar eenigen banken stonden, doch het pleizier voor mij er heen te gaan, was al evenmin groot dan om in die vieze kamer te blijven, voortdurend met Mia op den arm te loopen en Ina aan de hand, die anders dreigde te vallen op de ongelijke steenen.- Telkens vraag-                                                                         [p63]

den we, wanneer we naar het eigenlijke "quarantaine-kamp" zouden gaan, doch 't antwoord luidde steeds "Uwe beurt komt ook wel!" Nu eindelijk kwam onze beurt, nadat Polen en Oostenrijkers al naar andere kampen gestuurd waren en wel Donderdagmorgen 18 April om tien uur; op dat uur moesten we met onze bagage op het plein staan;-

            Daar ik had gehoord, dat het station een half uur van het "Lager" loopen was, had ik gevraagd om op eigen kosten een rijtuig te mogen hebben, men zeide mij, als er toevallig een langs kwam, dan zou men 't aanhouden doch er expres voor naar de stad gaan om het te bestellen, ging niet. De bagage ging met reusachtige auto's.- Nu een rijtuig was er niet, zoodat

                                                                                                                                                [p64]

ik ook met de troep mee moest, hoe ik Mia 'n half uur lang gesjouwd heb, weet ik niet en toch was het niet zoo zwaar als men wachten op de stations, daar ik nu wist, dat na 'n half uur 't voorbij was.- Toen we op het station kwamen, was er nog geen trein te zien van 'n wachtkamer evenmin; we moesten onze eigen bagage afladen en aangeven wat in de

coupé!!!! en wat in de goederenwagen moest. We gingen maar weer op onze bagage zitten of liepen heen en weer, Ina ging in 't zand spelen en was in minder dan geen tijd pikzwart, enfin 'k was al blij dat ze zoet was, nu wij zelf waren ook dadelijk weer vuil, daar het erg stoffig was en het vreeselijk waaide.

            We hebben daar gezeten tot 's middags                                                                       [p65]

drie uur, natuurlijk op 't laatst doodop en vuil met dood moede en huilende kinderen.- In 'n huisje vlak bij kreeg ik nog wat koffie, we kregen die uren eten noch drinken.- Eindelijk kwam de trein binnen, die ons transport meenemen zou, ongeveer nog 600 man.- Er waren alleen vierde klas wagons (in Duitschland zijn die juist als onze veewagens zonder zitplaatsen, dus niet zooals de Russische) men wilde ons daarin plaatsen, we zouden dus ruin 'n dag op onze bagage moeten zitten.- De schrik sloeg me om 't hart, toen ik aan de kinderen dacht, hoe zou ik de kinderen te slapen kunnen leggen.- Gelukkig begonnen enkele Duische dames hevig te schelden en beweerden, dat ze nooit in                                                        [p66]

zulk eene wagon zouden gaan, men moest tenminste derde klas hebben, die daarop mopperend op last van den commandant aangehaakt werd.- Wij Hollanders bleven bij elkaar staan en kwamen in één coupé terecht, waar eene ruit van stuk was, 'k vroeg om 'n andere met 't oog op baby, maar 't antwoord was, gauw instappen of heelemaal niet.- Met veel overleg was er voor de kinderen plaats om te slapen, baby sliep op m'n reismand, en wij drie volwassenen zaten den heelen nacht in 't pikdonker, daar er geene verlichting en onze kaarsen gebruikten we alléén als 't hoog noodig was.- We aten dien dag van onzen voorraad, daar we geen eten of drinken kregen en kwamen                                                                              [p67]

Vrijdagavond om half zeven te "Wielkowieskie" aan. We waren juist aan 't eten gegaan, want niemand wist hoe laat we zouden aankomen, dus hadden alles overhoop gehaald, toen 't portier op[en]ging en de conducteur riep: "Binnen tien minuten allen uitstappen!" Nu, ik dacht, man loop naar de maan, is dat nu 'n manier van doen, in tien minuten! Enfin, 'k ging aan 't redderen, maar was natuurlijk niet klaar, het geheele transport was al uit den trein, zoodat de conducteur weêr kwam en brommende zei "Gauw mevrouw, de trein gaat direct terug". Nu, ik dacht hij neemt me toch niet mee, dus nam 't voor nota aan en ging rustig m'n gang, 't was toch 'n toer, want Mia kon ieder moment van de bank                                         [p68]

vallen.- Enfin, we stonden dan allen op 't perron, maar van afhalen geene sprake, niemand wist hoe of wat, zooals altijd, wachten, wachten en nog eens wachten! De een beweerde, we moesten nog met een anderen trein mee, daar 't Lager 'n uur sporen verder lag, de ander zeide, de bagage ging met 'n trein en wij te voet. Ik zuchtte al en dacht alweêr 'n half uur sjouwen met Mia!- We gingen voorloopig maar op onze bagage zitten en zagen om negen uur eindelijk vier à vijf wagens aankomen, die over rails gingen voor de bagage, wij dames en vrouwen konden er bovenop gaan met de kinderen, 't was lastig - tusschen de bagage, maar beter dan loopen, 't was 'n half uur rijden!- In de verte zagen we groote steenen gebouwen,                   [p69]

electrisch verlicht, zoodat ik al droomde van 'n heerlijk, frisch bed en 'n kop warme thee of koffie. Mia sliep op m'n schoot en Ina zat slaperig, maar zoet naast me, 't moest haar en kleintje stevig vasthouden, anders viel ze eraf.-

            Om half tien kwamen we in 't Lager aan; wij moesten in "Block II" zijn, later begrepen we, dat dat bestemd was voor de "elite" (gelukkig maar, want er waren zulke vuile menschen en kinderen bij, dat ik bang was onze kinderen nog eens een of andere ziekte zouden oploopen), de rest werd verdeeld over de andere huizen, zeven in getal!- Ik kreeg met de familie Bruinse één kamer, we waren met ons zevenen, er stonden vier bedden in, later kregen de Bruinsens nog een bed erbij op hun verzoek. Ik sliep op                                                            [p70]

één bed, 't andere was voor Ina en Mia, de laatste lag op 't draagkussen aan 't voeteneind. 't Waren oude ijzeren ledikanten met 'n stroomatras en een paardedeken, van lakens geen sprake.

            'n Gordijn voor de ramen ook niet, zoodat we 'n extra deken vroegen en die 's nachts voor het raam hingen, we spanden 's avonds een laken, zoodat de kamer in twee afdeelingen was.-

            Verder stond er een ruwe tafel èn één stoel; twee banken zonder leuning; iedere familie kreeg twee zinken emmers, één voor vuil en één voor schoon water, een kan voor koffie, twee of drie geëmailleerde bakjes om uit te eten en 'n paar tinnen lepels, 'n  grooter bak om zich in te wasschen, verder stond eene heel groote kachel in iedere kamer;               [p71]

de vloeren en gang waren van steen, gecement; in ons "Block" waren 20 kamers.- Nu, ik wil wel erkennen dat ik gehuild heb, toen ik alles zag en wist daar drie weken te moeten leven, 't was eene gevangenis! 't Raam was bovendien stuk, 'n ruit was gebroken, zoodat we bibberden van de koû.

            Mia huilde van honger en slaap, Ina had dorst en er was nergens eene verpleegster of hulp te bekennen, daar de officier of liever commandant, die de kamers aan gewezen had, spoorloos verdwenen was.- Langer treuren ging dus niet, maar weer aanpakken, regelen en me schikken, 'k lag de kinderen te bed en holde 't heele "Lager" af om 'n glas water, 'k vond eindelijk 'n put, zoodat Ina wat te drinken had.- We moesten zoo naar                                   [p72]

bed gaan van eten of drinken geene sprake. Wat ben ik vaak blij geweest, dat ik Mia zelf voedde, want 't kind was er anders nooit door gekomen.-

            Niemand van de lezers of lezeressen kan beseffen hoe ellendig het is op die manier te moeten gaan slapen, vuil en in zulk eene omgeving en op zoo'n bed!- Den volgenden morgen moesten we proviand halen, we kregen om zes uur koffie (zooveel als we wilden, daar er geen drinkwater was), en moesten dat zelf halen in onze kannen.

            Ik ging nooit om zes uur koffie halen, doch bewaarde van den vorigen dag. Om twaalf uur moesten we soep halen, die bestond uit 'n hoeveelheid warm water met wat erwten of gort er door van 't laatste heel weinig, als er vleesch in was dan                                                           [p73]

waren er vier à vijf uitgekookte stukjes in 'n halve emmer. Om drie uur brood halen met jam, 't laatste was gemaakt van bieten, doch smaakte heel goed. Ik kreeg genoeg brood, daar ik ook voor de kinderen kreeg, doch volwassen personen zonder heel kleine kinderen hadden te weinig.- 't Was goed bruin brood.- 's Avonds om vijf uur koffie halen.- Ik ging steeds met Mia op m'n arm, de zinken emmer aan m'n anderen hand en Ina aan m'n rokken soep halen, men moest soms 'n half uur wachten, daar het heele transport (1000 man groot, de laatste weken 1600 man) van ééne keuken kreeg, evenzoo ging het met brood en koffie halen.- Ieder "Block" had een "ordonnance", die op alles letten moest en tot wien we ons voor                 [p74]

boodschappen en kleinigheden wenden konden.- Wanneer we proviand moesten halen, schreeuwde onze dappere landverdediger door den gang: "Proviand halen", en stormden we allen met emmer of bakje voorzien naar "Block VI" waar een der keukens was: Ina vond het steeds 'n heel feest, ze vroeg 's morgens al: "Mama, wanneer gaan we soep en brood en koffie halen en jam?"- 't Was voor mij heusch geen pretje, maar 'n heel gesjouw!-

            Den volgenden dag, Zaterdag, moesten we allen binnen tien minuten in een aangewezen zaal zijn om ingeënt te worden, klein en groot.

            Den daaropvolgenden dag, een bad nemen en onze kleeren, die we uit- en aantrokken gedesinfecteerd.

            Van de bagage werd geene notitie                                                                             [p75]

genomen, het bleek later ook, dat de geheele "quarantaine" politiek was (men was doodsbang voor spionnen) en niet voor ontsmetting.- Het baden was heusch geen pretje, 't was gelukkig dat ik Mia niet mee had genomen, er waren geen zinken baden, maar alléén "douche" en wel twaalf in getal, we stonden op houten latten zoodat we ieder oogenblik dreigden te vallen, want ze waren glibberig, 'n bewijs, dat ze niet goed schoon werden gemaakt, het gebeurde n.l. door Russische krijgsgevangen. Ina huilde dan ook vreeselijk, zoodat ik me ook voornam haar niet meer te baden, we waren er ook vies van, want 't heele "Lager" kwam daar, de vuilste menschen.-  Toen we ons gebaad hadden                                                                         [p76]

werden we allen opgeschreven, Mia ook, de Duitscher zeide: "Och, 'k zal haar maar noteeren, want allen moeten gebaad". 'k Gaf hem 'n fooi, zoodat de zaak in orde was.- Een der eerste dagen moesten we allen samen komen voor ons "Block", daar zou de Lager Commandant en Opper Commandant de regels voorlezen, waaraan we ons te houden hadden en eene speech afsteken!- Ik zeulde met m'n kinderen er ook heen, want de Ordonnance had geroepen "allen om acht uur aantreden".-

            Er werd ons bevolen, dat we onze kamers schoon moesten houden, iederen dag het vuil water er uit dragen, schoon erin, vloeren vegen.

            Verder mochten we naar Duitschland schrijven in 't Duitsch, naar geen                 [p77]

enkel ander land en in geene andere taal; de "quarantaine" duurde niet minder, doch ook niet meer dan 23 dagen (wij, Hollanders hadden al van den Commandant vernomen, dat er geen pardon voor ons was)  en dan kon men gaan waarheen men wilde.-

            Nog meer werd er voorgelezen, doch van minder belang, zoodat ik weer naar m'n kamer ging, al zuchtende, dat ik drie weken, 't scheen me eene eeuwigheid, daar moest blijven.- Maandag moesten we naar de Politie om ingeschreven te worden, ik zeulde maar weer met de kinderen, die moesten ook mee in ik durfde ze ook niet zoo lang alleen laten.- Men beloofde ons, Hollanders, dat als onze papieren bewijzen uit Holland, dat we de personen waren, waarvoor we ons                                                                                          [p78]

uitgaven, vroeger kwam als 23 dagen we dan direct weg mochten, daar we alleen maar doorreis vroegen, later bleek het, dat 't gemeene leugens waren, men heeft de eerste drie weken absoluut geene moeite voor ons gedaan, daar men niet wist wat met ons aan te vangen, we waren n.l. de eerste vreemdelingen, die in "'t Lager" kwamen 'n paar weken na ons kwamen nog Denen, Bulgaren en Turken.-

            De eerste weken waren we erg verlegen met onze wasch, daar er nog niet in voorzien werd, zoodat we zelf onze wasch maar deden, 'k spande een lijntje buiten, waarop ik alles te drogen hing, later ook iederen dag de luiers, daar ik die zelf bleef wasschen. 'n Week later werden er uit het dorp meisjes aangenomen,                                                                [79]

die voor ons in 't Lager waschten.-

            Verder werd er eene leeszaal ingericht, tooneelzaal, waar ook gespeeld werd, doch ik kon nooit gaan met het oog op de kinderen; er is o.a. een heel mooi concert geweest, naar men zegt, piano en viool, gegeven door twee dames en 'n heer van ons "Lager".- Van buitenaf kwam er natuurlijk niemand in dus uitvoeringen gingen van ons transport uit.- Het geheele "Lager" was in 't vierkant ongeveer twintig minuten groot, was afgezet met prikkeldraad twee rijen, twee mans hoogte, aan de uitgangen stond nog een gewapende soldaat.-

            De eerste weken hadden we koud weêr, zoodat we den dag veel in huis moesten doorbrengen, 'k was dan dubbel blij als 't avond was, want                                                        [p80]

kinderen in zulk eene kamer bezig te houden zonder speelgoed, 't was haast niet te doen.- Mia zat den ganschen dag op 't bed gebonden en Ina hing over 't bed bij haar en speelde met wat rommel, doch sleet voordurend de neusjes van haar laarsjes op die ellendige cemente vloer; gelukkig was er een schoonmaker, doch ze moest dan op haar overschoentjes, die natuurlijk te groot waren, rondscharrelen, daar ik maar één paar schoentjes bij me had.-

            Zooals ik reeds vertelde, bleek de proviand, die men ons verstrekte niet toereikend; de soep werd al slechter en toen na twee weken bij ons transport nog 600 man kwam, was ze heelemaal niet te genieten,                                                                                                       [p81]

we haalden ze, nu ja, men kreeg wat warms, maar voedsel zat er niet in en vaak ging de halve emmer, want men was bij die uitdeeling royaal, naar de Russische krijgsgevangenen, een troepje was daar om het terrein enz. schoon te houden, de gangen te vegen etc.-

            Maar er kwam uitkomst en wel uit 't dorp "Wielkowieskie"; de joden aldaar brachten ons door 't prikkeldraad eieren, boter en brood tegen 'n flinken prijs natuurlijk, maar dat was niets als we 't maar kregen.

            't Moest alles stil gebeuren, zoodat de wachten het niet zagen, want 't was streng verboden.- 'n Klein, doch zuiver wit, heerlijk versch broodje kostte 70 kopeken (ongeveer 10 sneden) Ina at het in één maal op; eieren 38 kopeken 't stuk, boter 6 Roebel 't pond en eene taart van Moskovisch gebak 4½ Roebel. Zoolang ik in de "quarantaine" was, gaf ik aan extra voedsel en fooien nog 200 R. uit.- Lang duurde de pret niet, daar de Lager Commandant erachter kwam en het op straffe van 't verdubbelen der "quarantaine" verboden werd, de wachtposten werden tevens verdubbeld en de joden, die gesnapt werden de waren afgenomen.-  (Zooals men weet, waren we in het veroverde Duitsche Polen).- Ondertusschen vertrok ons transport, daar de eerste drie weken om waren en die menschen hadden kisten voorraad eieren en boter gemaakt om naar Duitschland en Oostenrijk mee te nemen.- Er werd n.l. per                                                                                                                                        [p83]

dag zoo ongeveer duizend R. verhandeld en vaak meer.- De rede waarom het koopen verboden was, zat hierin, dat de bewoners van het dorp verplicht waren tegen 'n bepaalden prijs boter en eieren naar Duitschland te verzenden, natuurlijk minder dan ze ons lieten betalen, en de uitvoer op het laatst heelemaal staakte, want 't verdween in onze magen.- Wat nu te doen, 't was heusch eene ernstige questie voor ons, we hadden tot heden ook een paar schepjes suiker per dag gekregen bij 't rantsoen, maar dat hield ook op, toen er een nieuw transport aankwam.- De Ordonnance en enkele Duitsche soldaten wisten raad en ging, terwijl Lager Commandant, Opper Commandant, Politie etc. aan tafel zaten, op 'n hol naar 't dorp of 's avonds laat ('t was maar tien minuten loopen) en sleepten van alles binnen, zelfs ham en worst, sigaretten en gebak.

            Die lui namen natuurlijk nog 'n flinken winst, doch daar keken we niet naar, als wij 't maar hadden en streken van ons nog flinke fooien op.- 't Waren heusch heel geschikte menschen, maar waren op 't punt van omkooperij als wat Russisch geworden, hoewel de overheid vast overtuigd was van 't tegendeel en 't was maar goed ook, want 't was in ons voordeel.-

            Toen, wij Hollanders, 'n week in "'t Lager" waren, gingen we eens hooren, hoe 't met onze papieren stond, daar we direct door mochten                                                               [p85]

reizen, als die in orde waren, maar er was nog niets, iederen dag, vaak tweemaal gingen we naar de Politie, werden heel "heusch" bejegend, maar er was nog niets voor de Hollanders!"- We begonnen te begrijpen dat men ons aan 't lijntje hield: de Duitschers, die met ons gekomen waren hadden hunne papieren al op enkelen na (want 't was eene slordige boel op 't Politiebureau en lui waren de menschen daar ook, zoodat enkele heeren nog 'n paar dagen voor de bepaalde drie en twintig dagen hielpen om hunne en papieren van anderen in te vullen, anders waren ze niet op hun tijd afgereisd, enkelen zijn zelfs tot 26 dagen gebleven, wat een heel schandaal van hun kant teweeg bracht)                                                 [p86]

maar van de onzen nog geen spoor.

            Ten laatste, op ons herhaald aandringen wat we toch moesten doen om af te reizen, zeide men, dat de gezant in Berlijn ons helpen moest, zoodat we daarheen een paar telegrammen zonden om hulp, doch er niets op hoorden. Ik besloot 'n brief naar Holland te zenden, doch kreeg hem terug, zond er nog een naar mijne familie om hulp, die zooals ik later hoorde, bij toeval aankwam.                   

            M'n zwager en anderen deden alle stappen om ons naar Holland te krijgen en hoorden van den Hollandschen gezant, dat hij van niets af wist.-

            Ik was voortdurend maar in angst dat er oorlog tusschen Holland en Duitschland zou komen, want                                                                                                                            [p87]

dan waren we krijgsgevangenen en in zulk 'n omgeving, zonder m'n man met zoo goed als geene kleeren bij me, 't leek me te verschrikkelijk en vervolgde me als eene nachtmerrie.-

            Ons transport ging weg op den bepaalden dag en wij, twee Hollandsche families bleven achter, binnen 'n paar dagen waren de kamers echter weer gevuld met menschen van 'n volgend transport.-

            Ik had in dien tijd 'n apart kamertje met twee bedden gekregen, 't gaf op den grooten weg uit, zoodat het vrolijker was en er was nogal passage, vooral Ina had er pleizier in en zat, wanneer we niet buiten waren voor 't opengeslagen raam.- We hadden gelukkig zomer gekregen, zoodat ik veel in de zon met de                                                                                [p88]  kinderen zat, ik sjouwde dan 'n paardedeken naar buiten en zette Mia erop en zelf ging ik er ook op zitten, Ina speelde in den omtrek met zand, stokjes en allerlei rommel, die ze opzocht. M'n kamertje hield ik zoo netjes mogelijk, sjouwde iederen dag dekens enz. naar buiten, daar we al last van ieder soort ongedierte hadden gehad, zelfs van 't ergste, zoodat ik in het begin met angst ging liggen.-

            'n Paar heeren van ons transport hadden beloofd naar den gezant te Berlijn te gaan, want ieder had medelijden met ons en spraken er over, dat we nog steeds in "quarantaine" zaten.- We hadden hun alle gegevens meegegeven, ook het afschrift van de telegrammen, die                                                                                                                                           [p89]

we gezonden hadden en gaven nog 'n brief voor den gezant mee, doch hoorden taal noch teeken. Wij liepen maar steeds naar de politie en Lager-Commandant, doch kregen steeds hetzelfde antwoord: "Uw gezant moet U helpen".

            We waren heusch ten einde raad, hoe ter wereld zouden we uit die "quarantaine" komen!- De eene week na de andere verliep, wij zonden steeds telegrammen om hulp naar Berlijn, doch geen antwoord, toen eindelijk aan 't eind van de vijfde week een telegram kwam, dat de papieren der Neutralen onderweg waren naar Zowno, een plaats vlakbij ons "Lager", waar de papieren eerst in orde moesten gemaakt.- Achteraf bleek 't nu, dat men ons maar stilletjes had laten wachten, men wist niet wat met                                                            [p90]

ons aan te vangen en men had pas nà de 23 dagen werk van ons gemaakt, had men vanuit Holland er geene spoed achter gezet dan hadden we wellicht nog een maandje daar gezeten.- Wat waren we blij, doch 'k had nog geene rust voordat we de poort van 't Lager achter ons hadden.-

            't Duurde nog eene week voordat we konden afreizen, er moesten nog kieken van ons genomen en ook vingerafdrukken.

            In de laatste week was er nog eene godsdienstoefening in de open lucht, er waren er meer geweest, doch in 't kerkje, die ik, met 't oog op de kinderen, toch niet mee kon maken. Buiten ging best, daar de kinderen onderwijl op den grond speelden en tevens genoten van 't hooren [van] muziek, dat                                                                                                       [p91]

den zang begeleidde.- De dominé beviel me niet bizonder, daar hij 't steeds over de politiek had en n.b. bad, dat het Duitsche volk mocht overwinnen, dat nu zoo schandelijk behandeld en belasterd werd en ze met zegepraal hunne [?] andere mochten verslaan!-

            'k Vergat nog te vertellen, dat het zóó koud in "'t Lager" kon zijn, dat we 's avonds de kachel aan moesten maken, 'k kon vaak niet slapen van de koû; 't mocht feitelijk niet, maar we deden stilletjes, stopten de krijgsgevangen 'n fooi, brood of soep toe, zoodat we van hen, die hout moesten hakken voor de keukens, 'n hoeveelheid kregen.- Er waren ook dagen, dat we aardappelen voor de soep moesten schillen, ik was er vrij van, daar ik twee kleine kinderen had en zonder m'n man was.                                                                                                     [p92]

            Eenige dames bedankten ervoor en zeiden, dat ze 't werk niet gewoon waren, de anderen gingen wel, doch bedankten er de tweede keer ook voor, zoodat men het de vrouwen uit "Block I" liet doen.-

            Ten laatste was de dag voor ons vertrek aangebroken, door ieder gelukgewenscht, dat we eindelijk weg konden, onze papieren waren zóó door den gezant in orde gemaakt, dat we ook over de Hollandsche grens konden.- 't Was nog haasten Vrijdagmorgen 30 Mei om op tijd klaar te komen; we moesten allen gebaad, doch gaven maar 'n fooi aan den ordonnance en waren daarmee klaar, toen eenige malen in 't Politiebureau geroepen om papieren te teekenen, naar den dokter om oogen en mond te laten onderzoeken en om twaalf                                 [p93]

uur kant en klaar voor "Block I" te staan, waar de bagage opgeladen werd en wij erbij en gelukkig binnen 'n minuut of vijf waren we buiten het hek.-

            We waren nog 'n eindje sporen van de Duitsche grens af, twee uur lopen en kwamen aan het grensstation Wirballen, waar onze bagage onderzocht werd en we ons Oost-geld, dat we voor ons Russische geld in de "quarantaine" gewisseld hadden, voor Duitsch afgaven.- Papieren werden nagezien en met het nazien van de bagage waren ze heusch niet al te streng en geloofden ons op ons eerewoord; alleen nam men van mij 'n paar kinderboeken af, die bovenop lagen.-

            We voelden ons weêr vrij mensch nu we uit die gevangenschap waren. Als het me op de reis en in de "quarantaine"                                                                                        [p94]

te machtig werd, dacht ik maar aan 'n paar regels van 't bekende versje:

                        "In Uwe trouwe Vaderland: Rust heel mijne toekomst, heel mijn lot".-

            We reisden niet de gewone route over Bentheim, maar op onze pas stond aangegeven over Elten, 't was 'n ellendige reis steeds overstappen, tusschen Berlijn en Elten was nog wel viermaal overstappen en op zulke kleine stations, zoodat we geene "witkielen" krijgen konden, doch we alles zelf uit de coupé moesten sjouwen. Ik had nog eene koffer in Wirballen aangegeven voor den goederenwagen, doch toen ik in Berlijn kwam, was ze er niet. Ik hàd erg 't land in, daar het alles was hetgeen ik uit Rusland mee had kunnen nemen, gouden sieraden, wat                                                                                                                                        [p95]

souvernirs en nog 'n paar bankjes van 1000 R. 'k Gaf 't natuurlijk dadelijk aan en kreeg de koffer, toen ik 'n week in Holland was in ongeschonden staat terug.-

            Van Berlijn naar de grens hadden we 'n slaapwagen besteld, doch daar was geene kwestie van, daar eene week tevoren de slaapplaatsen al besproken waren. De trein was stampvol en met veel overleg en inschikkelijkheid van de passagiers kon ik 'n klein plaatsje voor de kinderen vinden om te liggen, voor ons was er geen kwestie van, ieder oogenblik waren ze wakker.

            Zaterdagavond om half negen kwamen we te Emmerik aan; we maakten op ieder 'n vreemden indruk, met pelzen aan en mutsen op midden in den zomer en 'n hoeveelheid bagage; ieder, die met ons in aanraking                                                                                 [p96]

kwam, informeerden waar we vandaan kwamen, de chef kwam op ons aangestormd en was ons in alles behulpzaam. We bleven den nacht in 'n hôtel, doch moesten eerst nog met onzen pas naar het Politiebureau, 'n half uur loopen van 't hôtel, de kinderen huilden van slaap en honger, doch ik moest persoonlijk gaan.- Den volgende dag om half negen vertrokken we, werden ook zeer royaal en voorkomend te Zevernaar behandeld en moesten ook aan ieder van hen onze lotgevallen vertellen.-

            Wat was ik blij op Hollandschen bodem te staan, men gaf ons eene coupé voor ons alleen; en 's middags om drie uur kwam ik, erg moe, maar gezond, te Amsterdam

--------------

 

 

Noten: Lydia E. Loader-van den Muyzenberg

 

1.  De tekst is uitgetikt zoals geschreven. Het is niet altijd duidelijk wat is onderstreept.

2. De mededirecteur van Kees (Cornelis) Marx was Leendert Willem van den Muyzenberg, die tijdens zijn  verlof in Nederland tussen oktober 1917 en februari 1918 op de mijn werd vervangen door zijn jongere   broer J.C. van den Muyzenberg

3. In het begin heeft mevrouw Marx het woord 'waggon' dat ze met twee g's schreef gecorrigeerd en de tweede 'g'                 weggestreept. Vanaf p28 doet ze dat niet meer maar heb ik toch 'wagon' getikt.

4. Als een woord niet te ontcijferen was heb ik zoveel mogelijk getikt en er [?] achter gezet.

5. Wanneer mevrouw Marx onbewust een letter of een deel van een woord heeft weggelaten heb ik dat ingevuld:  gevaar[lijk]ste (p25), moest[en] (p29)

6. De heer Van den Muyzenberg, de heer M. [pp 40, 41, 42, 61] is niet Leendert Willem maar zijn jongere broer      Johan Cornelis en mevrouw M.[p57] is diens adellijke Russische echtgenote, Margherita of "Tante   Rita" waarmee hij in Taganrog was getrouwd. Het moet hier wel om Johan, Rita, Caesar, Leo gaan want  Olga was in 1911 al met de kinderen naar Nederland gegaan. Johan werkte ook al jaren voor de  zoutmijn en was verantwoordelijk voor de Krim. In de periode oktober 1917 - februari 1918 verving hij  zijn oudere broer LW als directeur van het bedrijf in Stoupky.

 

Noten met potlood in de marges: Coby Paardekooper, oktober 2006:

p1.          1915 oudste zusje Ina geboren

                27 mei 1917 Mia geboren

                1/10.06 Mia vragen: naam kindermeisje, Asya (nee), Anisia (nee) Ze weet het niet.

                1/10.06 gebeld: [Mia gevallen, lichte hersenschudding, wat hoofdpijn / duizelig.

                                heeft brief van Lydia gehad - "ze zal z.s.m. schrijven".

                Het verhaal van Kees v.d. Muyzenberg is ook voor mij. Ik zal hun een kopie sturen, ook van dit stuk.

                Wim = Oom Willem en Tante Nel Scherrer waarvan het eerste kindje Fritsje (± 1907) in Stoupky is                            gestorven

p2.          ± oktober 1917, onrust neemt toe

                Leendert v.d. M. ging 3 maanden weg [te verifiëren in VdM-K archief]

                   beambten en het werkvolk was brutaal en ze wilden steeds hogere lonen, en zoveel mogelijk wilden zij                               het bestuur van de mijn in handen hebben

p3.          Cie uit het werkvolk à controle van den directeur en beambten

                beambten ook opstandig

                Cie wilden soms plaats Directeur innemen maar als Kees Marx zei - dan leg ik mijn baan neer,                                             schrokken ze hiervoor terug

p4.          winter 1917-18 Grote brand (opzettelijk voorraad spiritus!! ipv "orde en rust" te brengen

p5.          ook op de mijn dronken werklui - maatregelen!

              Anarchisten kwamen in Bachmuth, stad moest zeer veel geld aan ze betalen. Op  driekoningendag 1918 kwamen ze bij de mijn!

p6.          5 à 6 Bolsjewieken (gewapend) drongen de woning binnen

p7.          2 revolvers werden opgeëist - Kees bleef rustig, ging volgende dag naar Petersburg  naar de gezant!  Wel gaf hij 2 revolvers van de nachtwacht[?]

                  [LE-G: was waarschijnlijk niet naar Charkov gegaan maar had per telefoon contact met de  gezant opgenomen]

p.18        Nastia x? employe

                Er was óók een kindermeisje ± 16 jaar

 

Reisverslag mw Marx-van der Roest                                        Uitgewerkt door    Lydia E. Loader-van den Muyzenberg 17.11.2006

 

 
 

 

Up about us aim  of the website map of the Ukraine map of the colony picture postcards old photos documents visit to Stupki 2006